Het is twee oktober en de oogst van dit jaar is afgerond. Als ik uitga van mijn vroegste herinnering heb ik ongeveer tweeënzestig oogsten bewust meegemaakt. Niet één was hetzelfde zoals u zult begrijpen. Mijn eerste oogstherinnering dateert van rond mijn elfde jaar. Mijn vader boerde toen op zijn ouderlijk bedrijf in Drenthe (De Groeve).

door Bert

Twee herinneringen uit die tijd staan me nog helder voor de geest. De graanoogst en de stoppelknollen. Graan oogstten we met een zelfbinder die al voortgetrokken werd door een trekker. Maar voor het zover was moest eerst met de hand een pad voorbereid worden door middel van een zicht en sikkel om te voorkomen dat de trekker over het graan zou rijden. De zelfbinder maakte bossen (schoven) die op de grond werden geworpen. Die schoven werden dan met de hand schuin tegen elkaar aangezet om verder op het land te drogen. Die hokken, zoals we ze noemden bestonden uit 8 tot 10 schoven en waren voor de kinderen prachtige plekken om verstoppertje in te spelen. Ook uit die tijd komt mijn herinnering aan de stoppelknollen. Na het graan werden die gezaaid als voer voor de koeien. Ze waren heel makkelijk te plukken omdat ze grotendeels boven de grond groeiden. Als ik echter aan de knollen denk associeer ik dat direct met koude handen en nattigheid omdat die werkzaamheden altijd in november en december plaatsvonden.

In 1966 zijn we naar de polder verhuisd en de mechanisatie was hier al veel verder gevorderd. Graan oogsten gebeurde hier al snel met de combine. De bietenoogst was hier ook al gemechaniseerd. En voor de aardappeloogst werden eenrijige bunkerrooiers gebruikt. Al snel nadat we in de polder kwamen ging mijn vader in de aardappeloogst samenwerken met de overbuurman. Die had een rooier en kon op die manier zijn materiaal rendabeler maken door ook bij ons te rooien. Met mankracht konden we elkaar zo ook helpen.

Toen ik in 1972 klaar was met school ging ik nog een klein jaar naar Canada waar ik terechtkwam bij een boerenfamilie van Friese oorsprong die voornamelijk aardappelen teelde en verpakte voor de groothandel. De aardappeloogst was altijd een race tegen de klok omdat eind september de eerste vorst kon komen. Waar we in Nederland gewend waren om met trekker en kipper naast de rooier te rijden ging dat daar met trucks met daarop een onderlosser van ongeveer tien ton. Dat was uiteraard een bijzonder leuke en spannende ervaring. Mijn rijbewijs had ik net in Nederland gehaald, dus ik werd zo met een truck op pad gestuurd. Maar naast de rooier rijden waarbij je in een dichte cabine zit en je niet even om kunt draaien is wel even andere koek. Je moest op de spiegels rijden en hopen op aanwijzingen van de chauffeur op de rooier. Maar ook dat wende snel. Ook dat jaar lukte het net niet helemaal om de aardappelen voor de eerste vorst uit de grond te krijgen. Die aardappelen, met vorstschade, werden apart opgeslagen en eerst gewassen om rotte knollen makkelijk uit te kunnen sorteren. Naarmate de tijd dat ze in opslag lagen verstreek werd de stank van rottende knollen steeds heviger. Mijn werkdag begon iedere dag om 6 uur op een nuchtere maag (tot 7 uur) en als je dan in de aardappelschuur kwam draaide je maag bijna om. Maar ook dat went.

Terug in Nederland werd de samenwerking met de buurman tijdens de oogst steeds intensiever. De buurman had ook een zoon, een aantal jaren ouder dan ik, en zodoende waren we met z’n vieren en dat was genoeg om de oogst rond te zetten. Begin jaren tachtig zijn we begonnen met de teelt van uien en ook dat deden we samen. Zo waren we in de herfst weken achter elkaar in touw om de aardappeloogst en de uienoogst aan kant te krijgen. Toen mijn vader zich langzaamaan begon terug te trekken kwam Mignon (mijn vrouw) daarvoor in de plaats.

Tijdens die jarenlange samenwerking ging het niet altijd even gemakkelijk. We hebben diverse jaren gehad waarbij we onder erg natte omstandigheden moesten rooien en het een eeuwigheid leek te duren voordat er weer een perceel klaar was. Waar normaal tot 9 uur of iets later gerooid werd gingen we soms tot ver na 12 uur in de nacht door. Maar hoe laat het ook was, er was altijd nog tijd voor een “nabespreking”. En die nabesprekingen werden altijd vergezeld van een biertje of zelfs een kop soep als we heel erg hadden afgezien. Deze manier van samenwerken leidt tot een vertrouwensband waarbij je net zo hard je best doet om het product van de buurman te oogsten als dat van jezelf.

Maar de samenwerking is inmiddels al jarenlang verleden tijd. De buurman is met pensioen en verhuisd. De aardappeloogst doen Mignon en ik met z’n tweeën en als we geluk hebben kan onze schoonzoon helpen. Ook dit jaar lukte dat. We doen het rooien nog steeds met de vertrouwde aardappelrooier die we destijds van de buurman hebben overgenomen. Maar eigenlijk heeft die ook al recht op pensioen en net als bij een mens hapert daar ook wel eens iets. Ik heb vaak genoeg benadrukt dat ik geen technicus ben dus dat bezorgt mij ieder jaar een behoorlijke dosis stress. Ik was tijdens onze samenwerking niet de hoofdverantwoordelijke voor de machines maar tegenwoordig ben ik wél degene die storingen op moet lossen. Dit jaar had ik geluk en bleef de pech beperkt tot een kapotte ketting.